Vervaltermijn Transitievergoeding

Als je van mening verschilt met je werkgever over de hoogte van de transitievergoeding, of als je werkgever deze helemaal niet betaalt, dan moet je dit binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd voorleggen aan de rechter.

De termijn van drie maanden is een verval termijn. Dat houdt in dat als je de zaak niet tijdig aan de rechter voorlegt, je je recht op een (aanvullende) transitievergoeding verliest.

Het voorleggen aan de rechter doe je middels een verzoekschriftprocedure. Een voorbeeld van een verzoekschrift vind je hier.

Dit alles is geregeld in het nieuwe artikel 7:686a BW

( 7:686a BWtreedt in werking op 1 juli 2015, m.u.v. lid 4 a 1 m.b.t. artikel 7: 668 lid 3 BW welk deel per 1 januari 2015 in werking treedt).

Artikel 7:686a BW

1. Over het bedrag van de vergoeding, bedoeld in de artikelen 672, lid 9, en 677, leden 2 en 4, is de wettelijke rente verschuldigd, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Over het bedrag van de transitievergoeding, bedoeld in de artikelen 673, 673a en 673c, is de wettelijke rente verschuldigd, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

2. De gedingen die op het in, bij of krachtens deze afdeling bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid met een verzoekschrift.

3. In gedingen die op het in, bij of krachtens deze afdeling bepaalde zijn gebaseerd, kunnen daarmee verband houdende andere vorderingen worden ingediend met een verzoekschrift.

4. De bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen vervalt:

a. twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien:

1˚ het verzoek een vergoeding als bedoeld in de artikelen 668, lid 3, 672, lid 9, en 677, lid 4, betreft;

of 2˚ het een verzoek op grond van de artikelen 677, 681, lid 1, onderdelen a en b, en 682, leden 1, 2 en 3, betreft;

b. drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een verzoek op grond van de artikelen 673, 673a, 673b, 673c en 673d betreft;

c. twee maanden na de dag waarop de werknemer op de hoogte is of redelijkerwijs had kunnen zijn van de situatie, bedoeld in de artikelen 681, lid 1, onderdelen d en e, en 682, leden 4 en 5, maar ten laatste twee maanden na de dag waarop de termijn van 26 weken, bedoeld in die leden of onderdelen, is verstreken;

d. twee maanden na de dag waarop de toestemming, bedoeld in artikel 671a, is geweigerd, indien het een verzoek op grond van artikel 671b, lid 1, onderdeel b, betreft;

e. drie maanden na de dag waarop de verplichting op grond van artikel 668, lid 1, is ontstaan, indien het een verzoek op grond van artikel 668, lid 3, betreft.

5. De behandeling van de verzoeken, bedoeld in dit artikel, vangt niet later aan dan in de vierde week volgende op die waarin het verzoekschrift is ingediend.

6. Alvorens een ontbinding als bedoeld in artikel 671b of 671c waaraan een vergoeding verbonden wordt, uit te spreken, stelt de rechter de partijen van zijn voornemen in kennis en stelt hij een termijn, binnen welke de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. Indien de verzoeker dat doet, zal de rechter alleen een beslissing geven omtrent de proceskosten.

7. Lid 6 is van overeenkomstige toepassing indien de rechter voornemens is een ontbinding als bedoeld in artikel 671b of 671c uit te spreken zonder daaraan een door de verzoeker verzochte vergoeding te verbinden.

8. Artikel 55 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de artikelen 677 en 681.

9. Verzoeken op grond van deze afdeling worden gedaan aan de ingevolge de artikelen 99, 100 en 107 tot en met 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegde kantonrechter.

10. De rechter kan een zaak in twee of meer zaken splitsen indien het verzoek en de in het verzoekschrift ingediende vorderingen als bedoeld in het derde lid, zich naar het oordeel van de rechter niet lenen voor gezamenlijke behandeling. In de beslissing tot splitsing vermeldt de rechter, voor zover van toepassing, het bijkomende griffierecht dat ingevolge artikel 8 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken van partijen wordt geheven en binnen welke termijn dit griffierecht of dit verhoogde griffierecht betaald dient te worden. De gesplitste zaken worden voortgezet in de stand waarin zij zich bevinden op het moment van de splitsing.

 

Griffierecht 2015

Dagvaardingszaken of Verzoekschriften Griffierecht niet-natuurlijke personen Griffierecht natuurlijke personen Griffierecht onvermogenden
Zaken met een vordering, dan wel een verzoek van
- onbepaalde waarde of
- met een beloop van niet meer dan € 500,-
€ 116,00 € 78,00 € 78,00
Zaken met een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 500,- en niet meer dan € 12.500,– € 466,00 € 221,00 € 78,00
Zaken met een vordering, dan wel een verzoek met een beloop van meer dan € 12.500,- € 932,00 € 466,00 € 78,00
Aktes € 122,00  € 122,00  € 122,00
Verzetschrift Wet Mulder € 116,00 € 78,00 € 78,00

 

vaststellingsovereenkomst laten nakijken

jurisprudentie 2

 

Go to top