ECLI:NL:RBGEL:2016:1385

Instantie Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak 09-02-2016

Datum publicatie 08-03-2016

Zaaknummer 4765176

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Voorlopige voorziening

Inhoudsindicatie

concurrentiebeding in arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, motiveringsplicht, belangenafweging.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl 
AR-Updates.nl 2016-0176 

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 4765176 \ VV EXPL 16-12 \ 520

uitspraak van 9 februari 2016

vonnis in kort geding

in de zaak van

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. W. Kok

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid XXX B.V.

gevestigd te Veenendaal

gedaagde partij

gemachtigde mr. P.J.B.M. Besselink (DAS rechtsbijstand Arnhem)

Partijen worden hierna [werknemer] en XXX genoemd.

1De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 januari 2016 met producties

- de producties van de zijde van XXX

- de mondelinge behandeling van 2 februari 2016 mede inhoudende de pleitnotitie van de gemachtigde van XXX.

2De feiten

2.1.

[werknemer] is op 6 oktober 2014 in dienst getreden bij XXX in de functie van zwembadmonteur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zes maanden. Na verlenging hiervan met zes maanden is tussen partijen op 16 september 2015 een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen voor de duur van elf maanden.

2.2.

Het in artikel 15 van laatstgenoemde arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding luidt als volgt:

Het is de werknemer zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever verboden:

  • binnen een straal van 30 kilometer rond Ede;
  • als zelfstandig ondernemer, als werknemer in dienst van derden of anderszins;
  • direct of indirect, om niet of tegen betaling;
  • werkzaam te zijn bij een onderneming, persoon of organisatie, die dezelfde zaken en/of diensten levert als de onderneming van de werkgever;

dan wel om gedurende het genoemde tijdvak op enigerlei andere wijze betrokken te zijn bij, belang te hebben bij, financieel geïnteresseerd te zijn bij een dergelijke onderneming, persoon of organisatie.

Het is de werknemer verboden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever:

  • gedurende een tijdvak van twee jaren na het eindigen van de arbeidsovereenkomst;
  • als zelfstandig ondernemer, als werknemer in dienst van derden of anderszins;
  • personen in dienst te nemen die op enig tijdstip na de datum gelegen drie jaar voor het einde van de arbeidsovereenkomst als werknemer of ingehuurde arbeidskracht bij de werkgever werkzaam zijn geweest;
  • dan wel om zich gedurende het genoemde tijdvak direct of indirect van de arbeidskracht van deze personen te bedienen.

Bij overtreding van één of meer van de in dit artikel vervatte verboden verbeurt de werknemer aan de werkgever een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete van € 5.000,00 (zegge: vijfduizendvijfhonderd euro) voor elke dag dat de overtreding voortduurt, zonder dat de werkgever gehouden zal zijn schade te bewijzen en onverminderd het recht van de werkgever om schadevergoeding te vorderen, indien en voor zover de schade het bedrag van de boeten overtreft.

Het opnemen van het bovengenoemde concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is noodzakelijk vanwege zwaarwegende bedrijfsbelangen van de werkgever. Er is sprake van zwaarwegende bedrijfsbelangen van de werkgever omdat:

  • tot de werkzaamheden van de werknemer behoort dat hij kennis neemt van klantenlijsten/prijslijsten/kostprijzen/leveranciersgegevens//werkwijzen/know-how, met name
  • deze klantenlijsten/prijslijsten/kostprijzen/leveranciersgegevens/werkwijzen/know-how bepalend zijn voor het succes van de onderneming van de werkgever;
  • kennisname van deze klantenlijsten/prijslijsten/kostprijzen/leveranciersgegevens/

werkwijzen/computerprogrammatuur/know-how door directe concurrenten van de werkgever er toe kan leiden dat de werkgever grote schade ondervindt in de vorm van toenemende concurrentie door deze concurrenten;

  • de onderneming van de werkgever zijn producten/diensten aanbiedt binnen het gebied dat hierboven is beschreven;
  • de werkgever er een zwaarwegend belang bij heeft te voorkomen dat concurrenten in het hierboven beschreven gebied op oneigenlijke wijze kennis nemen van deze klantenlijsten/prijslijsten/kostprijzen/leveranciersgegevens/werkwijzen/know-how door de werknemer in dienst te nemen of op andere wijze van zijn diensten gebruik te maken.

2.3.

Na opzegging van de arbeidsovereenkomst door [werknemer] op 22 december 2015 is de arbeidsovereenkomst geëindigd met ingang van 22 januari 2016. Vanaf 5 januari 2016 heeft hij snipperdagen opgenomen.

2.4.

[werknemer] heeft op 31 december 2015 een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden gesloten met [rechtspersoon 1] .

3De vordering en het verweer

3.1.

[werknemer] vordert schorsing van voormeld concurrentiebeding en een veroordeling van XXX tot betaling van € 2.600,00 bruto per maand met ingang van 22 januari 2016 tot de datum van dit vonnis, met veroordeling van XXX in de kosten van dit geding.

3.2.

Volgens [werknemer] is er geen sprake van zwaarwegende bedrijfsbelangen aan de zijde van XXX die het opnemen (dan wel handhaven) van het concurrentiebeding rechtvaardigen, te meer nu hij geen enkele specifieke kennis heeft opgedaan van de in het beding genoemde aspecten als prijslijsten, klantenlijsten et cetera. Mocht het beding desalniettemin geldig worden geacht, dan heeft te gelden dat hij door onverkorte handhaving daarvan onbillijk wordt benadeeld.

3.3.

XXX betwist de vordering. Op hetgeen zij in dat verband heeft aangevoerd, zal, voor zover nodig, in het navolgende worden ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [werknemer] .

4.2.

In deze procedure moet worden beoordeeld of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat toewijzing gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kort gedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op feiten die erkend of onweersproken zijn of die voorshands aannemelijk zijn geworden.

4.3.

De eerste vraag die voorligt, is of het overeengekomen concurrentiebeding rechtsgeldig is. Uitgangspunt is immers dat een overeengekomen concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet rechtsgeldig is, tenzij uit de bij het beding opgenomen schriftelijke motivering blijkt dat het beding noodzakelijk is wegens zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen.

Deze toets betreft echter (nog) geen inhoudelijke waardering van de opgenomen motivering.

4.4.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is in casu aan de minimale formele vereisten voor de motivering voldaan. Uit het – schriftelijk met een meerderjarige werknemer overeengekomen – beding blijkt immers welke zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen het betreft en waarom deze belangen het (volgens XXX) noodzakelijk maken dat een uitzondering op de hoofdregel nodig is. Het betoog van [werknemer] dat de formulering van de bedrijfsbelangen specifiek gericht had moeten zijn op de zwembadbranche faalt; met de gebruikte formulering is de door XXX ter zake gemaakte afweging afdoende aan [werknemer] kenbaar gemaakt.

4.5.

Vervolgens ligt de vraag voor of het concurrentiebeding noodzakelijk is wegens zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen (artikel 7:653 lid 3 sub a BW).

Ter zitting heeft XXX dienaangaande het volgende aangevoerd.

[rechtspersoon 2] , een in Duitsland gevestigde onderneming, die zowel aandeelhouders als leden kent, houdt zich bezig met zwembadtechniek en wellnessbouw en voert een lijn met eigen producten, welke alleen kunnen worden afgenomen door aandeelhouders (waaronder XXX) en leden (waaronder [rechtspersoon 1] ). XXX, wier klantenkring bestaat uit (vermogende) particulieren in Midden-Nederland, plaatst (en onderhoudt) bij deze klanten hoofdzakelijk [rechtspersoon 2] -producten. De kennis hierover van haar monteurs houdt zij op peil door hen regelmatig naar door [rechtspersoon 2] georganiseerde cursussen te sturen.

Aangezien [werknemer] in zijn hoedanigheid van zwembadmonteur regelmatig onderhoudswerkzaamheden verrichtte bij de belangrijkste klanten van XXX, is hij zeer goed op de hoogte van de aldaar aangebrachte ( [rechtspersoon 2] )installaties. Naast deze klantinformatie heeft hij wetenschap van de prijsstelling van de diverse producten, alsmede van de omzetten en bedrijfsresultaten.

Voorshands wordt geoordeeld dat XXX hiermee afdoende heeft onderbouwd waarom zij [werknemer] met het oog op de door hem uit te voeren werkzaamheden en (deswege) te vergaren kennis over klanten, prijzen, leveranciersgegevens, werkwijzen en know-how in het door haar bediende afzetgebied heeft willen binden aan het concurrentiebeding. Met de enkele stelling van [werknemer] dat hij “geen specifieke kennis heeft opgedaan” van prijslijsten, klantenlijsten et cetera heeft hij het bedrijfsgevoelige karakter van voormelde gegevens en het belang van bescherming daarvan onvoldoende gemotiveerd betwist.

4.6.

Tot slot moet nog worden beoordeeld of [werknemer] door (onverkorte) handhaving van dit beding onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van XXX (artikel 7:653 lid 3 sub b BW).

Hoewel [werknemer] heeft gesteld dat [rechtspersoon 1] zich voornamelijk bezighoudt met openbare en speciale projecten en minder met de particuliere sector, heeft XXX deze stelling, onder verwijzing naar haar productie 2, gemotiveerd betwist; volgens haar is [rechtspersoon 1] haar grootste, althans een geduchte concurrent.

Ook de stelling van [werknemer] dat hij bij handhaving van het concurrentiebeding zijn baan bij [rechtspersoon 1] zal verliezen en alsdan geen recht zal hebben op een WW-uitkering heeft niet het gewenste resultaat. [werknemer] heeft immers, ondanks de wetenschap van een slechts drie maanden daarvóór overeengekomen concurrentiebeding, de overstap naar [rechtspersoon 1] willen realiseren zonder voorafgaand overleg met c.q. instemming van XXX, hetgeen voor zijn rekening dient te blijven.

Daarbij komt nog dat niet afdoende aannemelijk is gemaakt dat [werknemer] bij handhaving van het beding ernstig nadeel zal ondervinden bij het vinden van een passende werkkring; het beding is immers in geografische zin beperkt tot een straal van 30 kilometer rond Ede en XXX heeft onbetwist aangevoerd dat [werknemer] perspectief zich niet noodzakelijkerwijs beperkt tot de zwembadbranche, gelet op zijn elektrotechnische achtergrond en ervaring.

4.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, ziet de kantonrechter geen aanleiding het concurrentiebeding met ingang van de door [werknemer] gevraagde datum te schorsen.

Wel wordt, gelet op de wederzijdse belangen van partijen, aanleiding gezien de werking van het hiervoor vermelde concurrentiebeding te schorsen na ommekomst van een jaar na de datum waarop [werknemer] zijn werkzaamheden bij XXX daadwerkelijk heeft gestaakt, derhalve per 5 januari 2017. Hierbij is in aanmerking genomen dat de overeengekomen duur aanmerkelijk langer is dan de – in het algemeen gesproken – steeds meer gebruikelijke periode van (maximaal) 12 maanden, dat informatie over prijzen en dergelijke naar haar aard na verloop van tijd minder concurrentiegevoelig wordt en dat tussen partijen (ook) een geheimhoudingsbeding geldt.

4.8.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor toekenning van een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 5 BW. De door [werknemer] gevorderde betaling van € 2.600,00 zal dan ook worden afgewezen.

4.9.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [werknemer] worden veroordeeld in de proceskosten.

5De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1.

schorst – bij wijze van voorlopige voorziening – het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding met ingang van 5 januari 2017;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

veroordeelt [werknemer] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van XXX begroot op € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 09-02-2016.

vaststellingsovereenkomst laten nakijken

jurisprudentie 2

 

Go to top
JSN Boot template designed by JoomlaShine.com