Overgangsrecht in de praktijk

Het overgangsrecht is geregeld in artikel XXII van de WWZ (zie hieronder). Hieruit volgt dat als een ontslagprocedure voor 1 juli 2015 is gestart en doorloopt tot na die datum het oude recht geldt. De werkgever hoeft dan nog geen transitievergoeding te betalen. Er zijn 2 situaties:

1. Opzegging (via UWV)

Is de arbeidsovereenkomst voor 1 juli 2015 opgezegd? Dan blijft het oude recht gelden. Dit geldt ook als het verzoek voor ontslag aan uitkeringsinstantie UWV is ingediend voor 1 juli 2015. Dan blijft het oude recht gelden. Ook als UWV na 1 juli 2015 op het verzoek beslist en de arbeidsovereenkomst na 1 juli 2015 eindigt. UWV kent geen ontslagvergoeding toe. Wel ontvangt u mogelijk op basis van collectieve of individuele afspraken een ontslagvergoeding.

2. Ontbinding (door kantonrechter)

Is een verzoek aan de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden ingediend voor 1 juli 2015? Dan blijft het oude recht gelden. Daarbij kan de kantonrechter een vergoeding toekennen op basis van de kantonrechtersformule.

 

 

Artikel XXII WWZ (Overgangsrecht inzake het ontslagrecht) luidt:

1. Het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 alsmede artikel 665 en afdeling 9 van Boek 7, titel 10 van het Burgerlijk Wetboek, zoals deze luidden de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel O, van deze wet, blijven van toepassing:

a. op een verzoek om toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan voor dat tijdstip en een opzegging gedaan na dat tijdstip op grond van een verzoek om toestemming voor opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan voor dat tijdstip en op de gedingen die daarop betrekking hebben;

b. op een opzegging van de arbeidsovereenkomst gedaan voor dat tijdstip en op de gedingen die daarop betrekking hebben; en

c. op een geding dat is aangevangen voor dat tijdstip.

2. Artikel 8 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, alsmede artikel 30, zesde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, zoals deze luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Ca, van deze wet, blijven van toepassing op het verzoek van een werkgever om ontheffing op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 dat door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is ontvangen voor genoemd tijdstip, de daarop te verlenen ontheffing en maximaal drie verzoeken om aansluitende verlenging en de daarop te verlenen ontheffingen alsmede op de voor genoemd tijdstip verleende ontheffing en de daarop gedane verzoeken om aansluitende verlenging en de daarop te verlenen ontheffingen tot een maximum van drie ontheffingen.

3. De Wet melding collectief ontslag, zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IV van deze wet, blijft van toepassing op verzoeken om toestemming voor opzegging van een arbeidsovereenkomst alsmede op opzeggingen die hebben plaatsgevonden voor dat tijdstip.

4. De artikelen 8 van de Algemene wet gelijke behandeling, 9 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, 11 van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid en 1b, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals die luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen XI, XII, XIII en XIV van deze wet, blijven van toepassing op een beëindiging van een arbeidsverhouding voor dat tijdstip.

5. Artikel 104 van de Pensioenwet en, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel D, van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, artikel 108 van de Pensioenwet, zoals deze luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XIX van deze wet, blijven van toepassing indien de toestemming van de kantonrechter is gevraagd voor dat tijdstip.

6. Indien op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet sociale werkvoorziening zoals dit luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IX van deze wet, voor dat tijdstip advies aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is gevraagd, blijven het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 alsmede afdeling 9 van Boek 7, titel 10 van het Burgerlijk Wetboek, zoals deze luidden voor dat tijdstip van inwerkingtreding, van toepassing op het advies en de opzegging en de daarop betrekking hebbende gedingen.

7. In afwijking van de artikelen 673 en 673a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de transitievergoeding geheel of gedeeltelijk niet verschuldigd is gedurende een bepaalde periode en onder bepaalde voorwaarden, indien de werknemer wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht heeft op een vergoeding of voorziening, op grond van tussen de werkgever of verenigingen van werkgevers en de werknemer of verenigingen van werknemers voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen V en W, van deze wet gemaakte afspraken.

 

 

Overgangsregeling inzake de hoogte van de transitievergoeding voor 50 jarigen

Tot 2020 geldt voor werknemers boven de 50 jaar de overgangsregel. Zij hebben recht op 1/2 maandsalaris per half dienstjaar na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar mits het dienstverband minimaal 10 jaar geduurd heeft.

Indien het bedrijf kleiner was dan 25 medewerkers dan geldt deze regel niet (Om precies te zijn: indien de werkgever in de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet gemiddeld minder dan 25 werknemers in dienst had).

Dit volgt uit artikel 673a BW. Dit artikel luidt:

Artikel 673a BW

1. Indien de werknemer bij het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst 50 jaar of ouder is en de arbeidsovereenkomst ten minste 120 maanden heeft geduurd, is, in afwijking van artikel 673, lid 2, de transitievergoeding over elke periode van zes maanden dat de werknemer na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar bij de werkgever in dienst is geweest, gelijk aan de helft van het in geld vastgestelde loon per maand.

2. Lid 1 is niet van toepassing op de werkgever die in de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt of niet wordt voortgezet gemiddeld minder dan 25 werknemers in dienst had.

3. Lid 2 is niet van toepassing op bij regeling van Onze Minster van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen werkgevers.

4. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2020.

 

Overgangsregeling inzake de het aantal mee te tellen dienstjaren bij kleine bedrijven

Werkgevers met minder dan 25 werknemers mogen (in geval van ontslag wegens de slechte financiële situatie van de werkgever) bij de berekening van de omvang van de verschuldigde transitievergoeding uitgaan van de duur van het dienstverband te rekenen vanaf 1 mei 2013.

Dit mag tot aan 1 januari 2020. 

 

Dit volgt uit artikel 7:673d. BW Dit artikel luidt:

Artikel 7:673d

In afwijking van artikel 673, lid 2, kunnen onder bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te bepalen voorwaarden voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst maanden die gelegen zijn voor 1 mei 2013 buiten beschouwing worden gelaten, indien:

a. de werknemer in dienst was bij een werkgever, die in de tweede helft van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de arbeidsovereenkomst eindigt gemiddeld minder dan 25 werknemers in dienst had;

en b. de arbeidsovereenkomst is geëindigd wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 669, lid 3, onderdeel a, die het gevolg zijn van de slechte financiële situatie van de werkgever.

2. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2020.

vaststellingsovereenkomst laten nakijken

jurisprudentie 2

 

Go to top