Instantie Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak 21-10-2015

Datum publicatie -

Zaaknummer 4406849\ EJ VERZ 15-85136

Rechtsgebieden Arbeidsrecht 

Bijzondere kenmerken Beschikking 

Inhoudsindicatie

Verzoek tot betaling van transitievergoeding na 2 jaar ziekte. De kantonrechter verwerpt het betoog aangezien niet kan worden aangenomen dat op de werkgever op basis van de arbeidsovereenkomst een verplichting rust de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Vindplaatsen -

  

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Leiden/Gouda

Zittingsplaats Leiden

zaaknummer: 4406849\ EJ VERZ 15-85136

uitspraak: 21 oktober 2015

beschikking ex artikel 7:671 b Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter, zitting houdende te Leiden,

in de zaak van:

Werkgever

gevestigd te ?

verzoekende partij in de zaak van het verzoek,

verwerende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr. T.J.W.M. Stals,

tegen werknemer

wonende te..

verwerende partij in de zaak van het verzoek,

verzoekende partij in de zaak van het tegenverzoek,

gemachtigde: mr R.D. Ramnath.

Partijen worden aangeduid als “de werkgever” en “de werknemer”.

1. Het procesverloop

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

1.1. De werkgever verzoekt op grond van artikel 7:671 b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW, de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. De werknemer heeft een verweerschrift ingediend en een tegenverzoek strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:686 BW. De werknemer verzoekt Op grond van artikel 7 1686 BW hem € 4.229,10 bruto als schadevergoeding toe te kennen.

1.2. Op 5 oktober 2015 heeft een zitting plaatsgevonden. De griflier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2. De feiten

in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek

2.1. De werknemer, geboren op 25 februari  1972, is op 24 januari 2011 in dienst getreden bij de werkgever. De laatste functie die de werknemer vervulde, is die van jachtschilder, met een salaris van € 2.530,50 bruto per vier weken, exclusief vakantietoeslag.

2.2 Op de arbeidsverhouding is de CAO voor het Schilders-‚ Afwerkings- en Glasbedrijf van toepassing.

2.3 De werknemer is op 9 oktober 2012 arbeidsongeschikt geworden. Op 9 oktober 2013 is in het kader van de re-integratie het tweede spoor gestart. Vanaf 4 februari 2014 is de werknemer gere-integreerd bij de werkgever xx BV in de functie van beveiliger.

2.4 Vanaf 5 november 2014 geldt er voor de werkgever geen loondoor -betalingsverplichting meer.

2.5 De arbodienst heeft de werknemer in opdracht van de werkgever opgeroepen voor een geneeskundige controle op 23 juni 2015. Op 21 juni 2015 heeft de werknemer de afspraak bij de bedrijfsarts geannuleerd. Vervolgens is de werknemer uitgenodigd voor een medische controle op 28 juli 2015. De werknemer heeft de werkgever medegedeeld dat hij niet op het Spreekuur van de bedrijfsarts aanwezig zal zijn.

3. De beoordeling

in de zaak van het verzoek

3.2. Aan dit verzoek legt de werkgever ten grondslag dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer ingevolge artikel 7:669, lid 3, sub e, BW omdat hij geen gehoor geeft aan de oproepen van de bedrijfsarts. De werknemer is langer dan twee jaar arbeidsongeschikt en hij is inmiddels gere-integreerd bij een andere externe werkgever. De werkgever heeft dan ook voorbereidingen getroffen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst via de UWV procedure ex artikel 7:669, derde lid, onderdeel b BW.

Omdat de werkgever niet beschikt over een actueel oordeel van de bedrijfsarts is het niet mogelijk een ontslagaanvraag bij de UWV in te dienen, aldus de werkgever. Dit laatste komt, gelet op het bovenstaande, voor risico van de werknemer.

3.3 De werkgever heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de beleidsregels UWV van september 2012. In die beleidsregels valt te lezen dat door de werkgever bij de ontslagaanvraag een actueel oordeel van de arbodienst/bedrijfsarts moet worden overgelegd. De kantonrechter overweegt dat de beleidsregels van het UWV inmiddels zijn vervallen zodat de werkgever geen beroep meer toekomt op die beleidsregels. De wijze waarop de UWV-procedure moet worden ingericht is opgenomen in de Regeling UWV ontslagprocedure. Deze regeling is met ingang van 1 juli 2015 in werking getreden.

3.4 In de Regeling UWV ontslagprocedure valt, voor zover hier relevant, te lezen dat het UWV een formulier beschikbaar stelt voor de indiening van een verzoek om toestemming. Verder valt in de regeling te lezen dat indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van het verzoek om toestemming, de werkgever de gelegenheid heeft het verzoek binnen acht dagen na mededeling hiervan door het UWV, aan te vullen. Uit de regeling volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet de stelling van de werkgever dat het UWV een verzoek om toestemming niet in behandeling neemt omdat geen actueel oordeel van de arbodienst/bedrijfsarts kan worden overgelegd. Wel kan het UWV een dergelijk stuk bij de werkgever opvragen.

3.5 De kantonrechter is op grond van het bovenstaande van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat de werknemer verwijtbaar heeft gehandeld door geen gehoor te geven aan een oproep van de arbodienst/bedrijfsarts in verband met het voornemen van de werkgever om ontslagaanvraag bij het UWV in te dienen. De door de werkgever naar voren gebrachte feiten en omstandigheden leveren dan ook geen redelijke grond, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW, voor ontbinding op. De conclusie moet zijn dat de kantonrechter het verzoek van de werkgever zal afwijzen en dat de arbeidsovereenkomst n iet zal worden ontbonden.

3.6 Het bovenstaande betekent dat de door de werkgever gevorderde kosten voor de

arbodienst ad € 340,30 niet voor rekening van de werknemer komen.

3.7. Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

in de zaak van het tegenverzoek

3.8 De werknemer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:686 BW. Hij verzoekt Op grond van artikel 7:686 BW hem € 4.229,10 bruto als schadevergoeding toe te kennen. Hij stelt daartoe dat de werkgever tekort is geschoten in de nakoming van de verplichting om zich tot hem als goed werkgever te gedragen omdat hij na het einde van het tweede ziektejaar (5 november 2014) de “slapende arbeidsovereenkomst” niet heeft beëindigd. Te meer daar de werknemer niet meer geschikt is voor het eigen en ander passend werk bij de werkgever. Hij heeft schade omdat de werkgever door het niet beëindigen van de arbeidsovereenkomst de werknemer ten onrechte het recht op de  transitievergoeding ex artikel 7:773 BW onthoudt. Het schadebedrag is dan ook gelijk aan de hoogte van de transitievergoeding.

3.9 De kantonrechter verwerpt het betoog aangezien niet kan worden aangenomen dat op de werkgever op basis van de arbeidsovereenkomst een verplichting rust de

arbeidsovereenkomst te beëindigen. Door de werknemer zijn onvoldoende feiten en

omstandigheden aangevoerd die tot een dergelijke conclusie leiden. Onvoldoende

aannemelijk is geworden dat de werkgever de arbeidsovereenkomst in stand heeft gehouden vanwege het niet betalen van een transitievergoeding. De werkgever wilde immers, zoals hierboven overwogen, aan het UWV toestemming vragen om de arbeidsovereenkomst op te mogen zeggen. Bovendien kan op verzoek van een werknemer de rechter de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever ontbinden. De werknemer heeft in dat geval op grond van artikel 7:673 lid 1, onder b, BW recht op een transitievergoeding.

3.10 De conclusie is dat het verzoek tot ontbinding van de werknemer wordt afgewezen.

3.1 1 Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

4. De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

 

-          wijst de verzochte ontbinding af;

-          bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

in de zaak van het tegenverzoek

 

-          wijst het verzoek af;

-          bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. G.M.A. van Zaltbommel-Uittenbogaard en uitgesproken ter openbare zitting van 21 oktober 2015.

vaststellingsovereenkomst laten nakijken

jurisprudentie 2

 

Go to top